bouwmeester
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bouw·mees·ter
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bouwmeester | bouwmeesters |
| verkleinwoord | bouwmeestertje | bouwmeestertjes |
Zelfstandig naamwoord
bouwmeester m
- (beroep), (kunst), (wetenschap), (techniek), architect, ontwerper van gebouwen, die dit ontwerp visualiseert en de verwerkelijking van dit concept technisch en administratief begeleidt.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
1.