docent

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·cent
enkelvoud meervoud
naamwoord docent docenten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

docent m

  1. (beroep) iemand die lesgeeft
    Hij is universitair docent in Leiden.
    Docenten van de muziekschool gaven een concert.
Synoniemen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen