Naar inhoud springen

vlag

Uit WikiWoordenboek
  • vlag
enkelvoud meervoud
naamwoord vlag vlaggen
verkleinwoord vlaggetje
vlagje
vlaggetjes
vlagjes

devlagv/m

  1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
     De eigenaar van de vlag was nog bezig deze weer in te halen, toen een groene, open wagen met gehelmde Duitsers, voorbijreed.[4]
     Overal hing de Nederlandse vlag te wapperen.[5]
    • De vlag hing toen in Nederland halfstok. 
vervoeging van
vlaggen

vlag

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlaggen
    • Ik vlag. 
  2. gebiedende wijs van vlaggen
    • Vlag! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlaggen
    • Vlag je? 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]