vlaggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vlag·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Denominaal afgeleid van vlag.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vlaggen
/ˈvlɑxə(n)/
/ˈvlɑɣə(n)/
vlagde
/ˈvlɑxdə/
/ˈvlɑɣdə/
gevlagd
/xəˈvlɑxt/
/ɣəˈvlɑxt/
zwak -d volledig

Werkwoord

vlaggen

  1. de vlag uithangen
    • Op Koninginnedag wordt er volop gevlagd. 

Zelfstandig naamwoord

vlaggen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vlag

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be