dundoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

het dundoek van Zeeuws-Vlaanderen
Uitspraak
Woordafbreking
  • dun·doek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dundoek dundoeken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dundoek o [1]

  1. dunne stof gebruikt voor vlaggen
    • Maar och, wat leek de triomf ver weg toen de bal eenmaal rolde, zondagavond in de Kuip. Met man en macht werd afgelopen week op een industrieterrein in Arnhem gewerkt aan een doek met de tekst: ‘The Eagle has Landed’. Kashia had meegeholpen met schilderen - dan zou het, redeneerde hij in Voetbal International, nog meer een kick geven bij het betreden van het veld. Maar bij het ontrollen scheurde het doek van ellende in stukken uiteen en toen de spelers hun hoofd uit de tunnel staken, was nog weinig over van het dundoek. Weg kick. Vitesse, de ploeg, kwam al even onsamenhangend voor de dag. Kashia: „Of we druk voelden? Heb je de eerste helft gezien?”[2] 
    • Er was een tijd dat een waterpolobonk als Ton Buunk de Nederlandse vlag het stadion mocht binnendragen. De sterke hovenier kon in 1984 in Los Angeles de stok met dundoek recht voor de borst vasthouden, teken van kracht en macht.[3]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders;
31 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen