vies

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vies
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘vuil’ voor het eerst aangetroffen in 1617 [1] [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vies viezer viest
verbogen vieze viezere vieste
partitief vies viezers -

Bijvoeglijk naamwoord

vies

  1. smerig
    • Mijn kunstgras is vies. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Deens

Woordafbreking
  • vi·es

Werkwoord

vies

  1. lijdende vorm in de tegenwoordige tijd van vi
Schrijfwijzen


Frans

Zelfstandig naamwoord

vies mv

  1. meervoud van vie.


West-Vlaams

Bijvoeglijk naamwoord

vies

  1. boos