Naar inhoud springen

vies

Uit WikiWoordenboek
  • vies
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen viesviezerviest
verbogen viezeviezerevieste
partitief viesviezers-

vies

  1. bevuild, smerig
    • Mijn kunstgras is vies. 
     Daar haalde ze Arnold wel bij om haar te helpen het weer rechtop te krijgen en ze wist alles van waarde eruit te halen, weliswaar vies en nat, maar intact.[4]
  2. (voeding), (drinken) een onaangename smaak hebbend
     Zijn handen grepen een balk en hij spuugde een golf vies zout water uit.[4]
    • Ik vond vroeger het eten thuis altijd vies. 
  3. immoreel
     Ik voel me niet vies als ik aan zijn knuffels denk, want Emil was oprecht in zijn liefde voor mij en de jongens.[6]
    • Het boek ‘Sywerts Miljoenen’ laat lezer achter met heel vies gevoel. [7] 
  • een vies gezicht
een gelaatsuitdrukking waarmee men zijn afkeer van iets uitdrukt
  Rustig stak hij zijn hashpijp op en keek met een vies gezicht naar mijn flessen. [8] 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[9]
  1. Guus Kroonen. 2013. Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden, Brill Publishers: p. 142. ISSN 1574-3586 / ISBN 978-90-04-18340-7
  2. "vies" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  3. vies op website: Etymologiebank.nl
  4. 1 2
    Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  5. www.nrc.nl (11 mrt 2025)
  6. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  7. www.parool.nl (23 mrt 2022)
  8. Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  9. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


vies

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van (to) vie


  • vi·es

vies

  1. lijdende vorm in de tegenwoordige tijd van vi


vies v mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vie


vies

  1. boos