smerig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sme·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen smerig smeriger smerigst
verbogen smerige smerigere smerigste
partitief smerigs smerigers -

Bijvoeglijk naamwoord

smerig

  1. bijzonder vuil
    • Doe eerst die smerige broek eens in de was! 
  2. zeer slecht van smaak
  3. schunnig, gemeen
    • wat een smerige streek is dat! 
    • Rondom Albert hield iedereen even de adem in. Toen barstte het geschreeuw los. De smeerlappen. Die moffen zijn nog geen steek veranderd, wat een smerig tuig! Barbaren, enz. En dan ook nog een jonge en een oude man! [2] 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. smerig op website: Etymologiebank.nl
  2. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 14