vaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vaar
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
varen

vaar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
    • Ik vaar. 
  2. gebiedende wijs van varen
    • Vaar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
    • Vaar je? 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /vaːɐ(r)/

Zelfstandig naamwoord

vaar m

  1. (familie) vader.
  2. beschermer
  3. God
Verbuiging
Synoniemen