vaak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vaak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vaak -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vaak m [3]

  1. de slaap
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vaak vaker vaakst
verbogen vake vakere vaakste
partitief vaaks vakers -

Bijvoeglijk naamwoord

vaak [4]

  1. vele malen
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Afrikaans

stellend
vaak

Bijvoeglijk naamwoord

vaak

  1. slaperig
    «Ek is vaak
    Ik heb slaap!