uitspraak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·spraak
enkelvoud meervoud
naamwoord uitspraak uitspraken
verkleinwoord uitspraakje uitspraakjes

Zelfstandig naamwoord

uitspraak v/m [1]

  1. de manier waarop iemand een woord, zin of taal ten gehore brengt of zou moeten brengen
  2. een woord of zin door iemand uitgesproken waarin een mening wordt geuit, bewering
    • De wens van de coalitiepartners zal ongetwijfeld weer leiden tot een stevig gesprek. Dat gebeurde vorige week ook naar aanleiding van de uitspraken van Dijkhoff. Toen zei CU-voorman Segers na afloop: „We gaan vol goede moed verder, maar dit soort dingen moet niet te vaak gebeuren.” [2] 
  3. het uiten, bekendmaken van een oordeel in een rechtbank
    • De uitspraak toonde volgens sommige analisten aan dat wie geld genoeg had om de beste advocaten in te huren, ongestraft een moord kon plegen [3] 
     Daarmee schuift het hof het oordeel over het werk van de inspectie door naar de bestuursrechter in Amsterdam, die op 20 januari uitspraak doet over de rechtmatigheid van het optreden van onderwijsminister Arie Slob in de Haga-zaak.[4]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Gerard Vroegindeweij 21-1-2019Het knettert in de coalitie dankzij reclameman
  3. Wikipedia (O.J._Simpson)
  4. Bronlink Weblink bron Tjerk Gaulthérie van Weezel en Rik Kuiper “Gerechtshof brandt vingers niet aan inspectierapport over Haga Lyceum” (24 december 2019), de Volkskrant


Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

uitspraak

  1. uitspraak