verdict

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·dict
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verdict verdicten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

verdict o

  1. definitief oordeel
    • Het objectieve verdict van de onderwijzer zal stellig betrouwbaarder zijn dan de subjectieve zekerheid van de prille ‘lezer’. [3]
  2. (juridisch) uitspraak van een jury of rechter
    • Voor de krijgsraad van Rijsel vond in december 1946 het proces plaats tegen vooraanstaande leden van het Vlaams Verbond van Frankrijk (1923-1944) dat zich gecompromitteerd had met de bezetter. Na bewogen debatten waarin de leider van het verbond, Jean-Marie Gantois (1904-1968), zich met verve had verdedigd, viel het verdict. De vereniging werd ontbonden en haar goederen verbeurd verklaard. [4]
Synoniemen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
verdict verdicts

Zelfstandig naamwoord

verdict

  1. vonnis