uitspreken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
uitspreken uitsprekend
uitspraak uitgesproken
Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·spre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitspreken
'ʌʏt.spre.kə(n)
sprak uit
spraken uit
sprɑk 'ʌʏt
spra.kən 'ʌʏt
uitgesproken
'ʌʏt.xespro.kə(n)
klasse 4 volledig

Werkwoord

uitspreken

  1. overgankelijk het geschreven woord in klank omzetten
    • De ij en de ei worden hetzelfde uitgesproken. 
  2. wederkerend zich ~: een beslissing mededelen
    • De rechtbank heeft zich daarover nog niet uitgesproken. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.