uitspreken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
uitspreken uitsprekend
uitspraak uitgesproken
Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·spre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitspreken
'ʌʏt.spre.kə(n)
sprak uit
spraken uit
sprɑk 'ʌʏt
spra.kən 'ʌʏt
uitgesproken
'ʌʏt.xespro.kə(n)
klasse 4 volledig

Werkwoord

uitspreken

  1. overgankelijk het (geschreven) woord in klank omzetten
    • De ij en de ei worden hetzelfde uitgesproken. 
     Er viel as van mijn sigaret op mijn pantalon terwijl ik de naam van die stad uitsprak. Hij had het gezien en voordat ik kon protesteren, had hij een van zijn witte handschoenen uitgetrokken en wijdde hij zich met volledige aandacht aan het werkje om mijn broekspijp daarmee af te kloppen. Hij had magere, donkere handen.[1]
  2. wederkerend zich ~: een beslissing mededelen
    • De rechtbank heeft zich daarover nog niet uitgesproken. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 12