oordeel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oor·deel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘mening’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • afgeleid van deel met het voorvoegsel oor- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord oordeel oordelen
verkleinwoord oordeeltje oordeeltjes

Zelfstandig naamwoord

oordeel o

  1. een mening, een opinie
  2. (juridisch) uitspraak van een rechtbank, vonnis
     Daarmee schuift het hof het oordeel over het werk van de inspectie door naar de bestuursrechter in Amsterdam, die op 20 januari uitspraak doet over de rechtmatigheid van het optreden van onderwijsminister Arie Slob in de Haga-zaak.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
oordelen

oordeel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oordelen
    • Ik oordeel. 
  2. gebiedende wijs van oordelen
    • Oordeel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oordelen
    • Oordeel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. "oordeel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. oordeel op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink Weblink bron Tjerk Gaulthérie van Weezel en Rik Kuiper “Gerechtshof brandt vingers niet aan inspectierapport over Haga Lyceum” (24 december 2019), de Volkskrant
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
oordeel
geoordeel
volledig

Werkwoord

oordeel

  1. oordelen