tuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tuk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘dutje’ voor het eerst aangetroffen in 1779 [1] [2] [3]
stellend
onverbogen tuk
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

tuk

  1. ~ zijn op iets graag hebben
    • Hij was niet zo tuk op dat soort dingen. 
  2. iemand ~ hebben iemand een grappige streek geleverd hebben
    • De leerlingen hadden me goed tuk vandaag. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • Tuk op iets zijn
iets erg graag lusten of dol op zijn
  • Iemand tuk hebben
enkelvoud meervoud
naamwoord tuk tukken
verkleinwoord tukje tukjes

Zelfstandig naamwoord

tuk m

  1. een korte periode van slaap
    • Ik zou wel even een tukje willen doen. 
  2. Twente: broekzak

Werkwoord

vervoeging van
tukken

tuk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tukken
    • Ik tuk. 
  2. gebiedende wijs van tukken
    • Tuk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tukken
    • Tuk je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Lets

Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

tuk

  1. klop, het geluid van een klop op de deur