tukje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tuk·je

Zelfstandig naamwoord

tukje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord tuk

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.