tellen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tel·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘rekenen, optellen’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tellen
telde
geteld
zwak -d volledig

Werkwoord

tellen

  1. overgankelijk aantal bepalen
    • Ik tel hoeveel geld ik nog heb. 
    • Ik tel vijf koeien in de wei. 
  2. inergatief getallen oplopend opnoemen
    • Ik tel langzaam tot 10. 
  3. inergatief van belang zijn
    • Het maatschappelijk belang telt niet meer. 
    • De overwinning is het enige dat telt. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

tellen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord tel

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen