telbaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tel·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen telbaar telbaarder telbaarst
verbogen telbare telbaardere telbaarste
partitief telbaars telbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

telbaar

  1. als je iets kunt (af)tellen
    • Op het toetsenbord zit een telbaar aantal toetsen. 
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.