neertellen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • neer·tel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
neertellen
telde neer
neergeteld
zwak -d volledig

Werkwoord

neertellen

  1. overgankelijk betalen
    • Na langlopende onderhandelingen telde de club vijf miljoen euro voor de spits neer. 
    • Hoeveel geld hij precies moest neertellen voor het kunstwerk zegt hij liever niet. 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be