tel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tel
Woordherkomst en -opbouw
[1, 2] enkelvoud meervoud
naamwoord tel tellen
verkleinwoord telletje telletjes
[3] enkelvoud meervoud
naamwoord tel tels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tel m

  1. zeer korte tijdsduur.
  2. seconde
  3. (Jiddisch-Hebreeuws) ruïneheuvel, gevormd door opeenvolgende lagen van bewoning
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tellen

tel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tellen
    • Ik tel. 
  2. gebiedende wijs van tellen
    • Tel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tellen
    • Tel je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands