telling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tel·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord telling tellingen
verkleinwoord tellinkje tellinkjes

Zelfstandig naamwoord

telling v

  1. de handeling van het tellen
    • We zullen een telling moeten houden. 
  2. het resultaat van het tellen
    • Deze telling klopt niet helemaal. 
Hyponiemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

Werkwoord

telling

  1. onvoltooid deelwoord van tell

Zelfstandig naamwoord

telling

  1. gerundium van tell