vertellen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·tel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vertellen
vertelde
verteld
zwak -d volledig

Werkwoord

[A] vertellen

  1. overgankelijk een al of niet ware gebeurtenis verhalen
    • Een verhaal vertellen. 
     Er werd verteld hoe eens een abt verbood in zijn klooster Sinterklaasliedjes te zingen, niettegenstaande de smeekbeden van de monniken.[2]
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

[B] vertellen

  1. wederkerend zich ~ verkeerd tellen, een telfout maken
    • Iedereen kan zich vertellen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. vertellen op website: Etymologiebank.nl
  2. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 14