meetellen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·tel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meetellen
telde mee
meegeteld
zwak -d volledig

Werkwoord

meetellen

  1. overgankelijk iets erbij tellen
    • Stemmen die na de deadline zijn ontvangen, tellen niet mee. 
  2. absoluut van belang zijn
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be