strijk
Uiterlijk

- strijk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | strijk | strijken |
| verkleinwoord | strijkje | strijkjes |
de strijk m
- hoeveelheid wasgoed die nog gestreken moet worden
- Pot ziet juist een toenemende trend van mensen die een huishoudster in dienst nemen. ,,Onder andere voor de strijk, omdat ze daar geen zin in hebben. Ik strijk zelf ook nooit, terwijl ik wel van blousjes hou. Dus ik blijf bij de overtuiging dat echte mannen niet strijken." [3]
|
|
- Strijk en zet gebeuren
erg vaak gebeuren
- strijk tegen de haren
iets doen wat iemand irritatant vind
- ∗ Wat mij bij Kierkegaard verdriet - en hiermee strijk ik tegen alle haren in van alle theologen die zich met hem hebben beziggehouden - is dat hij die laatste stap nooit gedaan heeft, dat hij het geloof niet vaarwel heeft gezegd.[4]
| vervoeging van |
|---|
| strijken |
strijk
- Het woord strijk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "strijk" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[7] |
- ↑ strijk op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Tubantia Heleen Boex en Simone van Zwienen 08-09-15 Man strijkt steeds vaker z'n eigen overhemden
- ↑ Daan Bronkhorst“Kierkegaard” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025313562 - ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be