Naar inhoud springen

humor

Uit WikiWoordenboek
Een schilderij met blotebillenhumor uit de 17e eeuw.
  • hu·mor
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘scherts’ voor het eerst aangetroffen in 1839 [1]
  • [2]
1 enkelvoud meervoud
naamwoord humor -
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord humor humores
verkleinwoord - -

dehumorm

  1. iets wat grappig is
    • Dat is pas echte humor! 
     Een voorbeeld van humor is voor Kierkegaard de parabel van de zeelieden die manhaftig proberen hun schip in goede staat te houden, terwijl dat schip aan het zinken is.[3]
     Kierkegaard spreekt van ironie als middel waarmee mensen de overgang maken van esthetisch naar ethisch bewustzijn, en van humor als middel om de stap van het ethische naar het religieuze bewustzijn te maken.[3]
  2. het vermogen om grappig te zijn
    • Hij heeft veel humor. 
     De auteur had lovende woorden voor Kierkegaards humor en intellect, maar vroeg zich af of Kierkegaard zijn talent ooit voldoende zou kunnen beheersen om een samenhangend en volledig boek te schrijven.[3]
  3. (medisch) lichaamsvocht, vochtigheid
    • In een oude middeleeuwse theorie werden vier humores onderscheiden: slijm, bloed, gele en zwarte gal. 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]

humor

  1. humor; het vermogen om grappig te zijn

humor

  1. humor; het vermogen om grappig te zijn
  • hu·mor
enkelvoud meervoud
humor humores

humor m

  1. (medisch) lichaamsvocht
  2. stemming, humeur
  3. aard, karakter
  4. humor