ontstemmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·stem·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontstemmen
ontstemde
ontstemd
zwak -d volledig

Werkwoord

ontstemmen

  1. overgankelijk in een slecht humeur brengen
    • Hij werd enigszins ontstemd door al dat gezeur. 
  2. ergatief (muziek) van stemming geraken
    • Die luit ontstemt gemakkelijk bij temperatuurswisselingen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.