afstemmen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afstemmen
/'ɑfstɛmə(n)/
stemde af
/stɛmdə 'ʔɑf/
afgestemd
/'ɑfxəstɛmt/
zwak -d volledig
Woordafbreking
  • af·stem·men
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afstemmen

  1. overgankelijk, (muziek) op de juiste toonhoogte brengen
    • De eerste snaar wordt op een stemvork afgestemd. 
  2. overgankelijk op de juiste frequentie instellen
    • We stemden de radio af op deze zender. 
  3. iets zo regelen dat het voor iedereen passend is
    • Wij stemden onze agenda's op elkaar af zodat we maandagochtend een vergadering konden houden. 
  4. overgankelijk bij stemming verwerpen
    • Het voorstel werd afgestemd. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.