afstemmen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afstemmen
/'ɑfstɛmə(n)/
stemde af
/stɛmdə 'ʔɑf/
afgestemd
/'ɑfxəstɛmt/
zwak -d volledig
Woordafbreking
  • af·stem·men
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afstemmen

  1. (overgankelijk), (muziek) op de juiste toonhoogte brengen
    De eerste snaar wordt op een stemvork afgestemd.
  2. (overgankelijk) op de juiste frequentie instellen
    We stemden de radio af op deze zender.
  3. (overgankelijk) bij stemming verwerpen
    Het voorstel werd afgestemd.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen