stage

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Franse 'stage' (leer- en proeftijd) [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord stage stages
verkleinwoord stagetje stagetjes

Zelfstandig naamwoord

stage v / m

  1. (onderwijs) tijd gedurende welke een leerling of student onder begeleiding in de praktijk werkt als onderdeel van de opleiding, praktisch werken, praktijkstage
    stage bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
    stage bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
  2. meer in het algemeen verblijf b.v. hoogtestage, trainingsstage
  3. toneel (van het Engels) b.v. in stagemanager, stagediver, stagediving, backstage
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
stage stages

Zelfstandig naamwoord

stage

  1. podium