stage

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stage stages
verkleinwoord stagetje stagetjes

Zelfstandig naamwoord

stage v / m

  1. (onderwijs) tijd gedurende welke een leerling of student onder begeleiding in de praktijk werkt als onderdeel van de opleiding, praktisch werken, praktijkstage [3] [4]
  2. meer in het algemeen verblijf b.v. hoogtestage, trainingsstage
  3. toneel (van het Engels) b.v. in stagemanager, stagediver, stagediving, backstage
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

stage

  1. verbogen vorm van de stellende trap van staag
Verwijzingen
  1. Wiktionnaire
  2. etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. Woordenboek der Nederlandse taal

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
stage stages

Zelfstandig naamwoord

stage

  1. podium