verblijf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·blijf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verblijf verblijven
verkleinwoord verblijfje verblijfjes

Zelfstandig naamwoord

verblijf o

  1. het verblijven
    • Ik zou graag mijn verblijf willen verlengen. 
  2. een onderkomen
    • Dit is mijn verblijf voor de komende paar maanden. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
verblijven

verblijf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verblijven
    • Ik verblijf. 
  2. gebiedende wijs van verblijven
    • Verblijf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verblijven
    • Verblijf je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen