praktisch

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prak·tisch
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Duits met het achtervoegsel -isch [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen praktisch praktischer
verbogen praktische praktischere
partitief praktisch praktischers -

Bijvoeglijk naamwoord

praktisch

  1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
    Er is toch wel een praktischere oplossing te bedenken?
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijwoord

  1. zogoed als, vrijwel
    In de eerste helft van de 20e eeuw ging Duitsland praktisch drie keer failliet
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
Verwijzingen