praktisch

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prak·tisch
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Duits met het achtervoegsel -isch [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen praktisch praktischer
verbogen praktische praktischere
partitief praktisch praktischers -

Bijvoeglijk naamwoord

praktisch

  1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
    • Er is toch wel een praktischere oplossing te bedenken? 
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijwoord

  1. zogoed als, vrijwel
    • In de eerste helft van de 20e eeuw ging Duitsland praktisch drie keer failliet 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen