spugen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spu·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spugen
/'spy.ɣə(n)/
spoog
spuugde
/'spox/, /'spyɣ.də/
gespogen
gespuugd
/ɣə.'spo.ɣə(n)/
/ɣə.'spyxt/
klasse 2

zwak -d

volledig

Werkwoord

spugen

  1. inergatief speeksel uit de mond doen uitschieten
    • Hij kreeg van z'n moeder straf omdat hij op de grond spuugde. 
  2. inergatief (eufemisme) maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
    • De jongen spuugde over de rand van het schip. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie