Naar inhoud springen

spugen

Uit WikiWoordenboek
  • spu·gen
  • In de betekenis van ‘door de mond uitwerpen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1657.[1]
  • Doublet van spuwen onder invloed van de verleden tijd spooch, spōghen en het voltooid deelwoord ghespōghen (waaruit spoog, spogen, gespogen), Middelnederlandse bijvormen van speech, spēghen, ghespēghen bij de infinitief spīen, waaruit de dialectvorm spijen; zie verder spuwen.[2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spugen
/'spy.ɣə(n)/
spoog
spuugde
/'spox/
/'spyɣ.də/
gespogen
gespuugd
/ɣə.'spo.ɣə(n)/
/ɣə.'spyxt/
klasse 2

zwak -d

volledig

spugen

  1. inergatief speeksel uit de mond doen uitschieten
    • Hij kreeg van z'n moeder straf omdat hij op de grond spuugde. 
    • ‘Ik had mensen als Trump en Vance wel in hun gezicht kunnen spugen[3] 
  2. inergatief (eufemisme) maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
    • De jongen spuugde over de rand van het schip. 
99 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[4]