spuwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spu·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spuwen
/'spyʋə(n)/
spuwde
/'spyʋdə/
gespuwd
/ɣə'spyʋt/
zwak -d volledig

Werkwoord

spuwen [2]

  1. (inergatief) speeksel met vaart buiten de mond doen komen
    Hij spuwde op de grond van minachting.
  2. (overgankelijk) water of ander materiaal met vaart naar buiten doen komen
    De geiser laat dagelijks veel water naar buiten spuwen.
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Iemand op zijn vestje spuwen
een standje geven en ongenoegen over iemand uiten
  • Zijn gal spuwen
iets afkeuren en dat duidelijk laten merken
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal