Naar inhoud springen

spuwen

Uit WikiWoordenboek
  • spu·wen
  • In de betekenis van ‘door de mond uitwerpen’ voor het eerst aangetroffen in 1240.[1]
  • erfwoord: Middelnederlands spīen, spijen, spūwen, spouwen, ontwikkeld uit Oergermaans *spīwan-, dat teruggaat op Indo-Europees *spti(e)uH- ‘spuwen’, waarbij horen ook Latijn spuere, Litouws spiáuti en Servo-Kroatisch pljȕvati.[2] Evenals Nederduits spe’en, spien, Duits speien en Fries spije. Doublet van spugen.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spuwen
/'spyʋə(n)/
spuwde
/'spyʋdə/
gespuwd
/ɣə'spyʋt/
zwak -d volledig

spuwen [3]

  1. inergatief (formeel) speeksel met vaart buiten de mond doen komen
    • Hij spuwde op de grond van minachting. 
  2. overgankelijk water of ander materiaal met vaart naar buiten doen komen
    • De geiser laat dagelijks veel water naar buiten spuwen. 
  • Iemand op zijn vestje spuwen
een standje geven en ongenoegen over iemand uiten
  • Zijn gal spuwen
iets afkeuren en dat duidelijk laten merken
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]