spit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spit
Woordherkomst en -opbouw
1 enkelvoud meervoud
naamwoord spit speten
spitten
verkleinwoord spitje spitjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord spit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

spit o

  1. een draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
    • Ze had een lekker kippetje aan het spit gebraden. 
  2. (medisch) hevige lage rugpijn, lendenpijn
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
spitten

spit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van spitten
  2. gebiedende wijs van spitten

Verwijzingen


Engels

vervoeging
onbepaalde wijs to spit
he/she/it spits
verleden tijd spitted
voltooid
deelwoord
spitted
onvoltooid
deelwoord
spitting
gebiedende wijs spit

Werkwoord

spit

  1. spugen
enkelvoud meervoud
spit spits

Zelfstandig naamwoord

spit

  1. spit, braadspit
  2. (geologie) schoorwal