snor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Snor
Snor

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snor
enkelvoud meervoud
naamwoord snor snorren
verkleinwoord snorretje snorretjes

Zelfstandig naamwoord

snor v/m

  1. beharing tussen neus en bovenlip [1]
  2. een vogel (Locustella luscinioides op Wikispecies) die tot de rietzangers Sylviidae op Wikispecies behoort en een snorrend geluid voortbrengt [2]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
snorren

snor

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snorren
    • Ik snor. 
  2. gebiedende wijs van snorren
    • Snor! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snorren
    • Snor je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen