rijgsnoer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rijg·snoer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijgsnoer rijgsnoeren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rijgsnoer o [1]

  1. draad waarmee men twee zaken aan elkaar vast kan rijgen
    • In een beetje knappe schoen hoort een gouden veter, zeggen we altijd maar. Deze op maat gemaakte (?) 24-karaats gouden veters worden gefabriceerd door Mr. Kennedy, de rijgsnoerenkoning van celebrity-land. Voor 16.000 euro zijn ze van jou. Vind je dat toch iets te gortig, dan is de zilveren variant à 2500 euro wellicht een optie. [2] 
  2. draad waaraan men kralen kan rijgen ook in figuurlijke zin
    • De minister erkent wel dat met het vertrek van de boerenbedrijven een deel van de landschapsbescherming op het platteland verdwijnt. De laatste decennia heeft die trend ervoor gezorgd dat het landelijk gebied aan het „verloederen” is. Zeker gebieden langs de rijkswegen kenmerken zich volgens hem door een „treurig stemmend rijgsnoer van harteloos ontworpen bedrijfs- en kantoorterreinen.” [3] 
    • In De grachten van Amsterdam worden de grachten systematisch afgewerkt. Niet alle panden worden behandeld. Er wordt op ongeveer één op de tien, met zorg gekozen, adressen een kleine ‘huiszoeking’ gedaan, de ene keer is de architectuur de aanleiding, dan weer een bijzondere bewoner, of een ingrijpende gebeurtenis. Het is daardoor een eindeloos rijgsnoer van verhalen en weetjes. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Telegraaf 22 dec. 2017 Peperdure kerstcadeaus
  3. Reformatorisch Dagblad 19-05-2006 Veerman: Leegloop platteland valt mee
  4. NRC René van Stipriaan 11 oktober 2013 Speelruimte voor calculerende ego’s
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be