glijden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glij·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
glijden
gleed
gegleden
klasse 1 volledig

Werkwoord

glijden

  1. (ergatief) met geringe wrijving gericht voortschuiven
    Ze waren op hun sleetje van het talud gegleden.
  2. (inergatief) op een glijbaan spelen
    Hij heeft maar een klein stukje gegleden.
Afgeleide begrippen
Vertalingen