slib

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slib
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bezinksel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1528 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord slib slibs
slibben
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

slib o

  1. is afzetting op de bodem van in (stromend) water aanwezige vaste deeltjes.
    • Heden ten dage wordt slib niet veel meer gebruikt omdat mest beter zou zijn en veel slib tegenwoordig verontreinigd is, veelal met zware metalen. 

Werkwoord

vervoeging van
slibben

slib

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slibben
    • Ik slib. 
  2. gebiedende wijs van slibben
    • Slib! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slibben
    • Slib je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen