uitglijden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·glij·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitglijden
gleed uit
uitgegleden
klasse 1 volledig

Werkwoord

uitglijden

  1. ergatief door glijden ten val komen
    • Het pad was met ijzel bedekt waardoor hij uitgleed. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.