slippen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slip·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
slippen
slipte
geslipt
zwak -t volledig

Werkwoord

slippen

  1. ergatief wegglijden
    • Het ijsblokje slipte uit zijn hand. 
  2. ergatief door gladheid over de weg schuiven
    • De auto slipte over de weg. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Deens

Woordafbreking
  • slip·pen

Zelfstandig naamwoord

slippen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van slip

Zelfstandig naamwoord

slippen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van slippe