schouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schouw
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘schoorsteen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1546 [1]
  • In de betekenis van ‘boot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1317 [2]
  • In de betekenis van ‘bezichtiging’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1284 [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord schouw schouwen
verkleinwoord schouwtje schouwtjes

Zelfstandig naamwoord

schouw m [4]

  1. (formeel) inspectie, visitatie [5] [6]

schouw v / m

  1. stookplaats
  2. schoorsteenmantel [7]
  3. schoorsteen [8]
  4. (scheepvaart) (geschiedenis) een vissersscheepje met de kenmerken van de aak [9]
  5. (scheepvaart) platte schuit voor het overzetten van personen en goederen, overzetboot, pont, pontveer, veerboot, veerpont [10]
  6. (verouderd) schuwheid [11]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schouw schouwer schouwst
verbogen schouwe schouwere schouwste
partitief schouws schouwers -

Bijvoeglijk naamwoord

schouw

  1. (verouderd) schuw [12] [13]


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
schouwen

schouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schouwen
    • Ik schouw. 
  2. gebiedende wijs van schouwen
    • Schouw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schouwen
    • Schouw je? 

Verwijzingen