schouw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schouw schouwen
verkleinwoord schouwtje schouwtjes

Zelfstandig naamwoord

schouw m [1]

  1. (formeel) inspectie, visitatie [2] [3]

schouw v / m

  1. stookplaats
  2. schoorsteenmantel [4]
  3. schoorsteen [5]
  4. (scheepvaart) (geschiedenis) een vissersscheepje met de kenmerken van de aak [6]
  5. (scheepvaart) platte schuit voor het overzetten van personen en goederen, overzetboot, pont, pontveer, veerboot, veerpont [7]
  6. (verouderd) schuwheid [8]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen schouw
verbogen schouwe

Bijvoeglijk naamwoord

schouw

  1. (verouderd) schuw [9] [10]


Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
schouwen

schouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schouwen
    Ik schouw.
  2. gebiedende wijs van schouwen
    Schouw!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schouwen
    Schouw je?
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. Woordenboek der Nederlandse taal
  5. etymologiebank.nl
  6. etymologiebank.nl
  7. Woordenboek der Nederlandse taal
  8. Woordenboek der Nederlandse taal
  9. etymologiebank.nl
  10. Woordenboek der Nederlandse taal