schouw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schouw schouwen
verkleinwoord schouwtje schouwtjes

Zelfstandig naamwoord

schouw m [1]

  1. (formeel) inspectie, visitatie [2] [3]

schouw v / m

  1. stookplaats
  2. schoorsteenmantel [4]
  3. schoorsteen [5]
  4. (scheepvaart) (geschiedenis) een vissersscheepje met de kenmerken van de aak [6]
  5. (scheepvaart) platte schuit voor het overzetten van personen en goederen, overzetboot, pont, pontveer, veerboot, veerpont [7]
  6. (verouderd) schuwheid [8]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schouw schouwer schouwst
verbogen schouwe schouwere schouwste
partitief schouws schouwers -

Bijvoeglijk naamwoord

schouw

  1. (verouderd) schuw [9] [10]


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
schouwen

schouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schouwen
    • Ik schouw. 
  2. gebiedende wijs van schouwen
    • Schouw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schouwen
    • Schouw je? 

Verwijzingen