pica
Uiterlijk
- pi·ca
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pica | pica's |
| verkleinwoord | - | - |
de pica v
- Het woord pica staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "pica" herkend door:
| 59 % | van de Nederlanders; |
| 46 % | van de Vlamingen.[1] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| pica | - |
pica
| vervoeging van |
|---|
| picar |
pica
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van picar
- gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van picar
| vervoeging van |
|---|
| picarse |
pica
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van picarse
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Medisch in het Nederlands
- Eenheid in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 59 %
- Prevalentie Vlaanderen 46 %
- Woorden in het Engels
- Woorden in het Engels van lengte 4
- Zelfstandig naamwoord in het Engels
- Medisch in het Engels
- Eenheid in het Engels
- Woorden in het Spaans
- Woorden in het Spaans van lengte 4
- Werkwoordsvorm in het Spaans