pica

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pi·ca
enkelvoud meervoud
naamwoord pica pica's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

pica v

  1. (medisch) de ziekelijke neiging oneetbare zaken te consumeren
    • Deze vorm van pica kan tot darmbeschadiging leiden en moet daarom behandeld worden. 
  2. (eenheid) een typografische eenheid 1 pica = 4,2175176 mm

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders;
46 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

enkelvoud meervoud
pica -

Zelfstandig naamwoord

pica

  1. (medisch) pica
  2. (eenheid) pica


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
picar

pica

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van picar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van picar
vervoeging van
picarse

pica

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van picarse