risico

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ri·si·co
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord risico risico's
verkleinwoord risicootje risicootjes

Zelfstandig naamwoord

risico o of m

  1. een mogelijk gevaar voor schade
    • Het risico dat er wordt ingebroken is gelukkig niet zo groot. 
  2. (economie) de kans op een onvoorziene gebeurtenis waardoor de waarde van financiële goederen wordt onderuitgehaald
    • Hoe groot is het financiële risico van een enkele transactie?[2] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen