risicovol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ri·si·co·vol
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen risicovol risicovoller risicovolst
verbogen risicovolle risicovollere risicovolste
partitief risicovols risicovollers -

Bijvoeglijk naamwoord

risicovol

  1. met veel risico, gevaarlijk
    • De pubers moeten altijd risicovolle sporten kiezen om er echt bij te horen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.