riem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • riem
enkelvoud meervoud
naamwoord riem riemen
verkleinwoord riempje riempjes

Zelfstandig naamwoord

riem m

  1. een band van leer of een ander materiaal
    • Hij droeg altijd een riem omdat anders zijn broeken niet lekker zaten. 
  2. een steel met een blad dat gebruikt wordt een vaartuig voort te bewegen
    • Omdat hij niet wist hoe hij de riem goed vast kon houden, roeide hij erg langzaam. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
riemen

riem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van riemen
    • Ik riem. 
  2. gebiedende wijs van riemen
    • Riem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van riemen
    • Riem je?