Naar inhoud springen

proef

Uit WikiWoordenboek
  • proef
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘onderzoek’ voor het eerst aangetroffen in 1286 [1] [2], semantisch beïnvloed door Duits Probe voor de bijkomende betekenissen.
enkelvoud meervoud
naamwoord proef proeven
verkleinwoord proefje proefjes

deproefv/m

  1. een onderzoek of test naar de juistheid, degelijkheid of waarheid.
     Ze is de eerste modebewuste non die ik ontmoet, en ongewild ploppen ideeën voor uitzendingen omhoog over jonge nonnen die op de proef worden gesteld door aantrekkelijke mannen.[3]
  2. (natuurkunde), (scheikunde), (biologie) het verrichten van een handeling om een verschijnsel te achterhalen of zichtbaar te maken, proefneming, experiment
  3. een drukproef
  4. een monster, (steekproef)
  • op de proef stellen
 Zijn waarnemingen waren een proef van wat wel eens de eerste wetenschappelijke hypothese zou kunnen zijn: een zonsverduistering is niet de dood van de zon, noch een vorm van goddelijke straf.[4]
  ‘s Lands grootste doordeweekse wielertoertocht werd onder prima weersomstandigheden verreden, al stelde de stevige bries de conditie van menig deelnemer behoorlijk op de proef. [5] 
  • proef of de som
test om aan te tonen dat iets juist is
 Het nemen van de proef op de som van deze onderstelling is van beslissend belang voor de toekomst van het maoïsme.[6]


vervoeging van
proeven

proef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van proeven
    • Ik proef. 
  2. gebiedende wijs van proeven
    • Proef! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van proeven
    • Proef je? 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]