poep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • poep
enkelvoud meervoud
naamwoord poep poepen
verkleinwoord poepje poepjes

Zelfstandig naamwoord

poep m

  1. uitgescheiden afvalstoffen van mens of dier
    • Hij stapte met zijn schoen in de poep van een hond. 
  2. (spreektaal) onzin
  3. (België) achterwerk, bips
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
poepen

poep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poepen
    • Ik poep. 
  2. gebiedende wijs van poepen
    • Poep! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poepen
    • Poep je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie