poep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • poep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord poep poepen
verkleinwoord poepje poepjes

Zelfstandig naamwoord

[A] poep m

  1. uit de darmen uitgescheiden afvalstoffen van mens of dier
    • Hij stapte met zijn schoen in de poep van een hond. 
  2. (spreektaal) onzin
    • Jij praat poep. 
  3. (pejoratief) waardeloos, walgelijk gebruikt als linkerdeel van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden als versterker van het rechterdeel
    • Die stomme poepzak zit zich weer vol te vreten. 
  4. versterkend voorvoegsel heel erg, gebruikt als linkerdeel van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden als versterker van het rechterdeel
    • Die merkkleding is poepduur. 
Opmerkingen

Deze betekenissen zijn in Nederland gangbaarder dan in Vlaanderen, zie poep v / m

Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
4. heel erg
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
poepen

[A] poep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poepen
    • Ik poep. 
  2. gebiedende wijs van poepen
    • Poep! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poepen
    • Poep je? 
enkelvoud meervoud
naamwoord poep poepen
verkleinwoord poepje poepjes

Zelfstandig naamwoord

[B] poep v / m

  1. achterwerk, bips
    • Vindt u mijn poep niet te dik in deze rok? 
Opmerkingen

Deze betekenis is in Vlaanderen gangbaarder dan in Nederland, zie poep m

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
poepen

[B] poep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poepen
    • Ik poep. 
  2. gebiedende wijs van poepen
    • Poep! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poepen
    • Poep je? 
enkelvoud meervoud
naamwoord poep poepen
verkleinwoord poepje poepjes

Zelfstandig naamwoord

[C] poep m

  1. (pejoratief) (geschiedenis) werkzoekende uit Westfalen
     Hans Poep en staet het boerten niet wel aen
    Al is hij een Boer, hy en can gheen boert verstaen.
    [7]
  2. (pejoratief) (geschiedenis) iemand uit Duitsland
  3. (pejoratief) (geschiedenis) iemand die buiten de eigen groep staat
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. poep op website: Etymologiebank.nl
  3. poep op website: Etymologiebank.nl
  4. 2 op website: Etymologiebank.nl
  5. poep op website: Etymologiebank.nl
  6. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  7. Bronlink geraadpleegd op 10 februari 2021 Weblink bron Roemer Visscher op Wikipedia Het eerste schock van de quicken. (1614) in: N. van der Laan ed. Uit Roemer Visscher's Brabbeling. Deel 1. (1918), A. Oosthoek, Utrecht, p. 16 nr. 51
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be