mof

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mof
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘Duitser’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1581 [1]
  • In de betekenis van ‘losse mouw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1451 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord mof moffen
verkleinwoord mofje mofjes

Zelfstandig naamwoord

mof m

  1. (scheldwoord) scheldnaam voor een Duitser [2]
    • Hij geloofde ze net zomin als de propaganda aan het begin, toen bijvoorbeeld werd beweerd dat de kogels van de moffen zo zacht waren dat ze onder daverend gelach van de Franse regimenten als beurse peren op hun uniform te pletter sloegen. [3] 
  2. met bont gevoerd kokertje om de handen warm te houden [4]
  3. losse, wollen mouw
  4. (techniek) koker voor verbinding van twee buizen, (sok)
  5. (techniek) verwijd uiteinde van een buis waarin een andere past, (sok)
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen