caca
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| caca | le caca | cacas | les cacas |
caca m
- (spreektaal) poep, kak
- «Les cacas de chien devant mon immeuble me font chier.»
- Ik baal ontzettend van de hondenpoep voor mijn flat. [1]
- «Les cacas de chien devant mon immeuble me font chier.»
- ca·ca
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| caca | cacas |
caca v
- caca in: Diccionario de la lengua española, 23e druk, op website: Real academia española
Categorieën:
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 4
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Spreektaal in het Frans
- Woorden in het Spaans
- Woorden in het Spaans van lengte 4
- Woorden in het Spaans met audioweergave
- Zelfstandig naamwoord in het Spaans