orden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·den

Zelfstandig naamwoord

orden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord orde

Werkwoord

vervoeging van
ordenen

orden

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ordenen
    Ik orden.
  2. gebiedende wijs van ordenen
    Orden!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ordenen
    Orden je?


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·den
enkelvoud meervoud
orden órdenes

Zelfstandig naamwoord

orden m

  1. bevel, order, opdracht
  2. order, bestelling
Synoniemen

Verwijzingen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·den

Zelfstandig naamwoord

orden

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht meervoud van ord