vestigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ves·ti·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘stichten, nederzetten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1323 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vestigen
vestigde
gevestigd
zwak -d volledig

Werkwoord

vestigen

  1. stichten, beginnen, oprichten
    • Een kantoor vestigen. 
  2. richten.
    • De aandacht vestigen. 
  3. wederkerend zich ~ (van personen): er gaan wonen
    • Zij vestigden zich bij de grootouders. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen