opvullen

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·vul·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opvullen
vulde op
opgevuld
zwak -d volledig

Werkwoord

opvullen [1]

  1. overgankelijk geheel vullen
    • De gaten in de muur werden opgevuld met klei en leem. 
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen